Beginsel van rechtszekerheid en belang van consequent handelen

In het fiscale rechtsverkeer gelden verschillende grondbeginselen die relevant zijn voor de toepassing van de (wettelijke) voorschriften. Eén van deze grondbeginselen is het zogenoemde Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel. Dit beginsel houdt kort gezegd in dat een belastingplichtige niet met terugwerkende kracht rechten kunnen worden ontnomen als hij heeft gehandeld overeenkomstig de op dat moment geldende rechtspraak van de Hoge Raad en later blijkt – uit rechtspraak van het Hof van Justitie – dat die rechtspraak in strijd is met een Europese richtlijn. In dit verband is belangrijk dat de rechtspraak van het Hof van Justitie geacht wordt “van meet af aan” te gelden en dus in materiële zin terugwerkende kracht heeft.

Dit rechtszekerheidsbeginsel speelde een belangrijke rol in het arrest van de Hoge Raad van 7 december 2018 (17/01767). Die procedure had betrekking op een naheffingsaanslag omzetbelasting die over 2008 was opgelegd, omdat de inspecteur van mening was dat er een bouwterrein was geleverd, terwijl de verkoper was uitgegaan van een vrijgestelde levering. Het ging hierbij om de levering van een terrein waarop nog resten van bebouwing aanwezig waren (de fundering van een muur en een oud transformatorhuisje). Voor alle duidelijkheid, in het jaar van levering (2008) gold het eerdere begrip “bouwterrein”, waardoor naast de eis van “onbebouwdheid”, ook nog minimaal aan één van de andere wettelijke voorwaarden moest worden voldaan (bewerkingen, voorzieningen en/of een bouwvergunning met het oog op bebouwing). De centrale vraag in deze procedure was of de latere rechtspraak van het Hof van Justitie inzake “Don Bosco” (2009) en “Woningstichting Maasdriel” (2013) ook moest worden toegepast op de betreffende levering in 2008.

Het gerechtshof Amsterdam was van mening dat dit mogelijk is. Ook had dit hof op basis van de feiten geoordeeld dat de bij levering nog aanwezige bebouwing in fiscale zin “verwaarloosbaar” was, waardoor er in wezen “onbebouwde grond” werd geleverd. Voor alle duidelijkheid: onder het huidige begrip “bouwterrein” zou dus zonder meer sprake zijn geweest van een met omzetbelasting levering (mits de bouwbestemming voldoende kenbaar is).

De Hoge Raad laat voor wat betreft de fiscale kwalificatie van de nog aanwezige bebouwing het feitelijke oordeel van het gerechtshof in stand. Alleen dit oordeel maakt dit arrest al van belang voor de praktijk! Uit de uitspraak van het gerechtshof blijkt namelijk dat de verkoper er niet voldoende in was geslaagd om de omvang van de bij levering nog aanwezige bebouwing te bewijzen. Hieruit blijkt maar weer hoe belangrijk het is om in het fiscale dossier een voldoende onderbouwing te hebben van de fiscale staat van het geleverde object.

Nu terug naar het rechtzekerheidsbeginsel. In 2001 had de Hoge Raad geoordeeld dat er na sloop van een gebouw nog aanvullende c.q. “nasloopse” bewerkingen aan de grond nodig waren om deze grond de kwalificatie “bouwterrein” te geven. Deze uitleg van de Hoge Raad is door het arrest “Woningstichting Maasdriel” achterhaald, omdat deze door het Hof van Justitie in strijd is geoordeeld met de Btw-Richtlijn. De Hoge Raad komt in zijn arrest van 7 december 2018 dan ook logischerwijze tot het oordeel dat vanwege de feitelijke (fiscale) staat van de grond er reden zou kunnen zijn tot naheffing. Deze bevoegdheid tot naheffing wordt echter beperkt door het rechtszekerheidsbeginsel. In relatie tot een beroep op dit rechtszekerheidsbeginsel oordeelt de Hoge Raad dat het voor een geslaagd beroep op dat beginsel niet voldoende is “dat een ondernemer voor een door hem verrichte handeling een beroep heeft gedaan op een vrijstelling overeenkomstig de door de nationale rechter in hoogste instantie gewezen – en nadien in strijd met het Unierecht gebleken – rechtspraak”. Daarvoor is, aldus de Hoge Raad, ook vereist “dat die ondernemer geen aanspraak heeft gemaakt op aftrek van omzetbelasting ter zake van goederen en diensten die aan deze handeling moeten worden toegerekend”. Eenvoudig gezegd: als een ondernemer zich beroept op een vrijstelling, dan hoort daar ook bij dat hij zo heeft gehandeld door geen aftrek van voorbelasting te claimen voor uitgaven die met de vrijgestelde levering verband houden. Alleen dan, aldus opnieuw de Hoge Raad, kan met een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel een naheffing met succes worden voorkomen.

De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar een ander gerechtshof. Dit gerechtshof moet vaststellen of de belanghebbende heeft gehandeld in overeenstemming met de geclaimde vrijstelling. Alleen dan zal de naheffingsaanslag worden vernietigd. Het belang van dit arrest voor de praktijk: consequent zijn is belangrijk! Bij een belaste levering bestaat aanspraak op aftrek van voorbelasting, bij een vrijgestelde levering niet. Een vrijgestelde levering en toch aftrek wordt (terecht) niet toegestaan.